War on drugs (deel 2 van 4)

Vervolg op War on drugs (deel 1 van 4) door Mr A.G. van der Plas

Gebruik van drugs al fundamenteel recht

Op het recht van godsdienstvrijheid deden de in oorsprong Braziliaanse Santo Daime kerken een beroep toen hun kerkleiders in 1999 werden vervolgd voor het verstrekken van de psychoactieve thee Ayahuasca aan haar leden tijdens in Amsterdam gehouden erediensten. Een keur aan deskundigen van antropologen tot godsdienstwetenschappers, farmacologen en psychiaters hebben de Amsterdamse rechtbank in deze strafprocedure voorgelicht over het gebruik van de amazonethee. De drank bestaat uit een traditioneel bereid aftreksel van twee planten.

Het is één van de tot op heden zeer zeldzame rechterlijke beslissingen waarin de moderne ‘heilige koe’, de Opiumwet, ondergeschikt wordt gemaakt aan het fundamentele recht op zelfbeschikking.

Het stampen van de schors van de Banisteriopsis sp. En het vervolgens urenlang koken ervan met bladeren van de DMT bevattende bladeren van de Pyschotria viridis levert een sterk psychoactieve drank op, die al eeuwenlang in het Amazonegebied wordt gebruikt voor spirituele en medische doeleinden. De Santo-Daime kerken hebben deze oude Indiaanse traditie binnen hun christelijke sacrament geïntegreerd. Van belang voor de mogelijke toepassing van artikel 9 EVRM in de Amsterdamse strafzaak was het eensluidende oordeel van de deskundigen, dat het gebruik van deze thee binnen de rituele setting van de erediensten van deze kerken geen enkel gevaar opleverde voor de volksgezondheid. Integendeel, de heilzame werking ervan voor de gebruikers was in diverse wetenschappelijke onderzoeken zelfs vastgesteld.
De Amsterdamse rechtbank kwam dan ook tot het oordeel dat het op grond van de Psychotrope Stoffen Verdrag en Opiumwet gegeven verbod op het voorhanden hebben en verstrekken van DMT in het geval van de kerkleiders een inbreuk vormde op hun vrijheid van godsdienst. Gezien het grote gewicht dat moet worden toegekend aan deze vrijheid van godsdienst en de omstandigheid dat aan het rituele gebruik van de DMT bevattende ayahuascathee door de Santo-Daime kerken geen noemenswaardige gezondheidsrisico’s kleven, moest artikel 2 van de Opiumwet in hun geval buiten toepassing blijven en dienden de kerkleiders van alle rechtsvervolging te worden ontslagen (Rechtbank Amsterdam d.d. 21 mei 2001, Nieuwsbrief Strafrecht, 29 juni 2001/182). Het betreft ;e;en van de tot op heden zeer zeldzame rechterlijke beslissingen waarin de moderne ‘heilige koe’, de Opiumwet, ondergeschikt wordt gemaakt aan het fundamentele recht op zelfbeschikking. Tegen de uitspraak van de Amsterdamse rechtbank is door het Openbaar Ministerie geen hoger beroep ingesteld.
Het grondrecht op vrijheid van gedachten, geweten en godsdienst behoeft natuurlijk niet slechts de bescherming in te houden van het collectief, in kerkelijk verband gedane uitingen van overtuiging en geloof. Ooit oordeelde de rechtbank te Lübeck de strafbaarstelling van het gebruiken verstrekken van cannabis strijdig met het in artikel 2 lid 1 van de Duitse Grondwet vastgelegde recht op vrije ontplooiing van de persoonlijkheid. Deze rechtbank was van oordeel dat het:

“Recht auf Rausch” durch Artikel 2 absatz 1 Grundgesetz im Rahmen der freien Entfaltung der Persönlichkeit als zentraler Sektor menschlicher Selbstbestimmung geschützt ist (Lübeck Landgericht d.d. 17 december 1991; vergelijk hierover bijvoorbeeld Silvis in NJB 1993/3, p. 92 e.v.).

Het Duitse Constitutionele Hof heeft in zijn uitspraak van 9 maart 1994 het Landgericht van Lübeck in deze gedachtegang jammer genoeg niet willen volgen.
Eenzelfde poging als de rechtbank te Lübeck ondernam het Constitutionele Hof van Colombia in 1994, toen het de regelgeving die de consumptie van drugs criminaliseerde, in strijd verklaarde met de Colombiaanse Constitutie welke de vrijheid van persoonlijke ontplooiing als fundamenteel recht beschermt. (Beslissing van het Corte Supremo de Colombia, numero C-221/94, Gaceta Constitucional 1994, edición extraodinaria.)
Het betreft hier voorbeelden van juridische instrumenten die de nationale rechters ter beschikking staan bij het marginaliseren van de negatieve effecten van de door de internationale drugsverdragen opgelegde verplichtingen. De Verdragen laten hiertoe zeker ruimte. De vraag rijst slechts of de zittende magistratuur bereid is hierin meer initiatieven te nemen.

No comments yet.

Geef een antwoord