War on drugs (deel 1 van 4)

Over de strafrechtelijke bestrijding van ‘drugs’ denkt de Hoge Raad soms vergaand minder liberaal dan de drugscontroleorganen van de Verenigde Staten zelf. De paddo-arresten introduceren een verbodsvorm die haaks staat op de eisen van het Psychotrope Stoffen Verdrag en zadelen bovendien de opsporingspraktijk op met nieuwe handhavingsproblemen. Door Mr A.G. van der Plas

 

Drugsbestrijding ontwricht ons strafrechtelijk apparaat. Regulering van drugsgebruik is verre te verkiezen boven het bestaande verbod van specifieke drugs. Zelfs vanuit de rechterlijke macht gaan recentelijk stemmen op – en niet de minste – voor een internationale discussie over het bestaansrecht van de VN-Verdagen die deze verboden opleggen.¹ Initiatieven hiertoe van o.a. de Stichting Drugsbeleid zijn vanzelfsprekend zeer toe te juichen. Het zou echter onjuist zijn om alle schuld voor de huidige ontwikkelingen op deze verdragen te schuiven.

  1. 1.        Vgl. Dufour in NJB 2003/43, O.2244 e.v.

Twee uitspraken van de Hoge Raad van 5 november 2002 betreffende de verkoop van zogenaamde paddo’s (psychoactieve stoffen bevattende paddestoelen) laten zien dat de Nederlandse hoogste strafrechter zich in de aanscherping van de war on drugs vergaand harder opstelt dan de internationale afspraken vergen. De vraag rijst dan ook of een nationale discussie over het huidige beleid van de Hoge Raad ter zake niet minstens even vruchtbaar zou zijn. De verdragen bieden de nationale rechter veel meer speelruimte om de geconstateerde escalatie van de strafrechtelijke bestrijding van drugsgebruik en drugscriminaliteit af te remmen, dan onze nationale hoogste rechter doet voorkomen. Een interessant voorbeeld hiervan vormt ook de uitspraak van 21 mei 2001 van de Amsterdamse rechtbank over het gebruik door de Santo-Daime kerk van de psychoactieve thee Ayahuasca als heilig sacrament.

Nationale invulling van de internationale verdragen

In het verleden heeft de Nederlandse nationale politiek er blijk van gegeven aan de  door de internationale drugsverdragen geboden ruimte creatieve invulling te kunnen geven Onze coffeeshops, de vrucht van een terughoudend vervolgingsbeleid, genieten tot ver buiten onze landsgrenzen bekendheid. Sedert 1 september 2003 verzorgt een nationaal Bureau voor Medicinale Cannabis de bevoorrading van Nederlandse apotheken met op doktersrecept verkrijgbare hennep. Hieraan ligt een recente wijziging van de Opiumwet ten grondslag (in werking getreden op 17 maart 2003). Minder bekend is echter dat het de International Narcotics Control Board (INCB) van de United Nations zelf was, die hierin een zeker initiatief heeft getoond door in zijn jaarverslag over 1998 de Verdragsstaten op de toepen tot het doen van onderzoek naar de medicinale werking van hennep.

Maar ook de nationale rechter kan veel assertiever omgaan met de ontsnappingsmogelijkheden die de Verdragen de lidstaten laten. De verplichting tot een strafrechtelijk verbod op alle bij Verdrag aangewezen drugs is minder absoluut dan het op het eerste gezicht lijkt. Zowel art. 36 lid 1 sub a van het Enkelvoudig Verdrag (New York, 30 maart 1961), als artikel 22 lid 1 sub a van het Verdrag Psychotrope Stoffen (Wenen, 21 februari 1971) geven aan dat dit gebod wordt begrensd door de ‘constitutional limits’ welke iedere lidstaat in acht dient te nemen. Het gaat hier om beperkingen die hun grondslag zowel vinden in nationale grondwetten als in internationale regelingen als het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (Rome, 4 november 1950), een verdrag dat in ons land directe werking heeft. In dit laatste Verdrag wordt bijvoorbeeld het recht van een ieder op vrijheid van gedachten, geweten en godsdienst gegarandeerd, evenals de vrijheid van een ieder op eigen wijze zijn overtuigingen tot uitdrukking te brengen of zijn godsdienst te belijden (artikel 9 lid 1 EVRM). Artikel 18 lid 1 van het Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (New York, 19 december 1966) is gelijkluidend. Beperkingen op deze rechten kunnen slechts worden aangebracht bij wet, maar dan nog uitsluitend wanneer dit noodzakelijk is in een democratische samenleving in het belang van de openbare order, gezondheid, goede zeden of ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

No comments yet.

Geef een antwoord